Recensie Amor-Roma.

Roman arts, sciences, architecture and literature, and the modern creative efforts inspired by them. This is the home of our famous Roleplaying Thread. >({|:-)

Moderator: Aldus Marius

Recensie Amor-Roma.

Postby Lucius Antverpiensis on Thu Mar 24, 2005 8:37 pm

Roma intiem.
Over liefde, sex, huwelijk, kind en gezin in het Oude Rome.
(recensie [1])


De afgelopen decennia is de geschiedschrijving, zoals wellicht alle academische disciplines, het voorwerp geweest van soms radicale accentverschuivingen en transformaties die ook in de klaspraktijk hun sporen hebben nagelaten. Terwijl vroeger 'geschiedenis' in wezen een chronologisch fresco bood van de 'hoge 'politiek, oorlogen en veldslagen, verdragen, instellingen en genealogieën van de machthebbers, verschoof gaandeweg het accent naar b.v. ook de economische, sociale en culturele (in de ruimste zin van het woord) aspecten, of zelfs naar het alledaagse leven (de geschiedenis van de 'kleine man' of van 'banale' fenomenen); 'geschiedenis' werd 'nouvelle histoire', werd 'mentaliteitsgeschiedenis' (de psycho-sociale realiteitsbeleving van het verleden).

In de plaats van de oude, in hoofdzaak ook 'literaire' benadering van het verleden kwam een labyrint van inderdisciplinariteit; de functie/rol van de historiograaf werd geproblematiseerd ("Hoe objectief kan geschiedenis zijn?"), dat soort dingen. En wie wat grasduint in de recente filosofie of kritiek van de geschiedschrijving wordt geregeld geconfronteerd met klachten over de toenemende specialismen binnen (en dus de atomisering van) deze discipline, of over de groeiende kloof tussen de veldwerkers en de vaktheoretici - om nog te zwijgen over het uiterst nefaste postmodernisme, dat met zijn defaitistische pseudo-speelsheid en zijn hyper-relativisme ook de historiografie blijkt te hebben aangetast: elk verhaal is onmogelijk geworden en kan alleen nog met een flinke dosis ironie gelegitimeerd worden - en meteen dus weer ontkracht.

Gelukkig zijn er nog 'scholars' die niet bang zijn voor het synthetiserende 'verhaal' dat zich bovendien richt tot de modaal ontwikkelde lezer - dus niet noodzakelijk alleen tot de vakbroeders. Een mooi voorbeeld daarvan is het recent verschenen Amor-Roma. Liefde en erotiek in Rome, verder aangeduid als AR [2], geschreven door een uitmuntend Leuvens triumviraat: de professoren Emiel Eyben (em.) en Toon Van Houdt, en lic. Christian Laes. Christian Laes legt tijdens dit school- en academiejaar de laatste hand aan zijn doctorale dissertatie over kinderen in het Oude Rome [3].

Wat zijn de tijden toch veranderd – ook in het onderwijs. De Ars Amatoria of het Pervigilium Veneris, de Hetaerengesprekken van Lucianus of dat schitterende Daphnis en Chloë van Longus; de epigrammen van Martialis, de Priapea, de graffiti van Pompeï of de falloforoi bij Aristofanes: het bleven voor ons destijds – letterlijk – gesloten boeken of thema's waarover zedig gezwegen werd. En nu behoort Catullus tot de verplichte (?) klasnummertjes, of blijken mijn leerlingen heel vlug goed op de hoogte te zijn van de hoger genoemde publicatie waaraan hun leraar Christian Laes heeft meegewerkt.

Natuurlijk is de (academische) preoccupatie met liefde en seksualiteit in de Oudheid niet nieuw. Ik denk hier o.m. aan: Veyne-Brown, Geschiedenis van het persoonlijk leven. Romeinse Rijk en late oudheid (1987); Coen van Emde Boas, Geschiedenis van de seksuele normen (1985); W. Den Boer, Eros en Amor. Man en vrouw in Griekenland en Rome (1962); uiteraard M. Foucault, Histoire de la sexualité 3, Le souci de soi (1984); A. Karsten Siems, Sexualität und Erotik in der Antike (1988); P. Grimal, L'amour à Rome (1963) of, nog verder terug, O. Kiefer, Sexual life in ancient Rome (1934) - om maar enkele voorbeelden te noemen, waarvan trouwens sommige niet terug te vinden zijn in de bibliografie van AR (maar ik neem aan dat daar goede redenen voor bestaan). Ik signaleer in dit verband ten slotte het doctoraat van Danny Praet, De problematisering van de seksualiteit in de heidense, joodse en christelijke spirituele biografieën van de late oudheid (RUG, 1997) dat, vreemd genoeg, eveneens niet vermeld wordt in de bibliografie van AR maar mij toch belangrijk lijkt – al was het maar omdat het nogal lijkt af te wijken van bepaalde inzichten van het Leuvense driemanschap.

Maar goed. AR is een schitterend, erudiet én erg leesbaar, tegelijk stilistisch knap geschreven boek over liefde, kind, gezin en erotiek in het Oude Rome: een mooie synthese van de aller-recentste inzichten en ontdekkingen van interdisciplinaire aard (demografie, sociologie, antropologie, literatuurstudie, archeologie...), op basis van verschillende soorten bronnen (diverse literaire genres, epigrafie, papyri, archeologische vondsten, plastische kunsten...). Het boek bestrijkt een periode van ongeveer zes eeuwen: van de 1ste eeuw v.C. tot pakweg de 6de n.C., waarbij ook ruim aandacht wordt geschonken aan Griekse teksten én belangrijke werken van christelijke signatuur.

Een erg breed en dus aantrekkelijk panorama dat oog heeft voor zowel breuklijnen als continuïteiten. En laten we vooral niet vergeten dat na elk kapittel van dit boek (waarover dadelijk meer) een uitvoerige bloemlezing wordt gepresenteerd met bekende en minder bekende teksten in een nieuwe en originele vertaling (meestal van de hand van professor Eyben).

Het boek bestaat uit drie grote kapittels.
Het eerste daarvan, over 'Ouders en kinderen', is geschreven door Christian Laes. Vertrekkend van tegenstrijdige gegevens i.v.m. kinderen die uit de oudheid bekend zijn, probeert hij omzichtig de plaats van die kinderen in de Romeinse samenleving te duiden en de attitudes tegenover hen te omschrijven en te interpreteren. Dat gebeurt o.m. op basis van demografische gegevens, materiële omstandigheden, literaire en andere bronnen – waarbij vooral de constante aanwezigheid van slaven als doorslaggevende factor wordt aangeduid.
Zeer merkwaardig en boeiend in deze context is de analyse van het verschijnsel van de Romeinse 'troetelkindjes' of 'deliciae', aan de hand van een gedicht van de auteur Statius. Aan dit thema wijdde Laes trouwens vroeger reeds een aparte studie [4].

Professor Van Houdt behandelt, in deel 2, 'Liefde, seks en sekserollen' – een hoofdstuk dat ik speciaal aanbeveel aan al diegenen die er nog steeds al te wilde fantasieën op na houden over de oude Romeinse seksuele 'mores'. Blijkt immers dat zelfs private handelingen, dus ook seksuele, slechts deel uitmaakten van een totale strategie van zelfrepresentatie die alleen tot doel had de eigen reputatie hoog te houden. Sex was dus erg gebonden aan codes, aan een hele semiotiek (of 'betekenisleer') van het lichaam die in de 'fysiognomiek' (studie en interpretatie van het uiterlijk, van het lichaam) zijn duidelijkste uitdrukking lijkt te hebben gevonden. Van daaruit bouwden de Romeinen een hele classificatie op van de 'echte man', de 'verwijfde man' en de 'vrouw', en werd, b.v. via de retoriek en een codificatie van omgangsvormen, een 'opvoeding' tot 'mannelijkheid' ontwikkeld die voortdurend werd getoetst en bewaakt. Men weze dus heel omzichtig: de Romeinen waren uiteindelijk heel preuts en hadden – althans in bepaalde opzichten – een vrij strenge opvatting over hun seksualiteitsbeleving.
Voor mij persoonlijk was ook in dit kapittel alweer de literaire analyse erg verhelderend en boeiend, met name van werk van Ovidius en Propertius.

De drie auteurs samen behandelen het slotkapittel, 'Huwelijk en gezin'. Praktijken, normen en idealen i.v.m. het huwelijk worden onderzocht op basis van het rechtsstelsel en van de gebruiken en gewoonten bij huwelijksplechtigheden (bruidsschat, verloving, ceremonies). Maar vooral het onderzoek naar de psycho-sociale dimensies van dat huwelijk in het oude Rome is boeiend: de leeftijdsverschillen tussen man en vrouw, de politiek-sociale (i.p.v. de emotionele) relevantie van een huwelijk, kraamsterfte, 'serial marriages', de aanwezigheid van slaven e.d. Met ook in dit kapittel alweer een zeer interessante analyse, dit keer van de briefwisseling tussen Plinius de Jongere en zijn vrouw Calpurnia, waaruit (andermaal) blijkt dat een gepubliceerde tekst, in dit geval een brief, in eerste instantie gelezen dient te worden in het licht van een bepaald imagobeheer of 'impression-management'.
En zoals in de vorige kapittels ronden ook hier beschouwingen rond laat-stoïcijnse en/of christelijke auteurs het overzicht af.

De geïnteresseerde lezer verwijs ik verder resoluut naar het boek zelf voor de gedetailleerde analysen en interpretaties. Ik heb slechts gepoogd een idee te geven van de behandelde stof aan de hand van de grote lijnen per kapittel.

Graag, tot slot, enkele kanttekeningen.

Een mentaliteitsgeschiedenis schrijven blijft, inderdaad, een hachelijke of riskante onderneming. Want: hoe doe je dat, op basis van welke bronnen? Ik heb de indruk dat ook dit boek in allereerste instantie gebaseerd blijft op geschreven bronnen (ik gebruik hier liever de term 'geschreven' dan 'literaire') – al is het waar dat Christian Laes een 'warm pleidooi' houdt voor integratie van verschillende disciplines (archeologie, sociologie...) en dat het boek rijkelijk voorzien is van iconografisch materiaal van verschillende aard (grafschriften, fresco's, beelden, geschilderde (mummie-) portretten...).

Toch blijft, in de inleiding, het allereerste criterium van de 'bredere context' de 'literaire context' (p. 10), en baseren vooral de professoren Van Houdt en Eyben zich vrij uitvoerig op geschreven materiaal – de deugddoende analyse van de Pompejaanse fresco's (p. 124), het juridische onderzoek (p. 178-181 ) en de verwijzingen naar volksgebruiken (p. 182-186) ten spijt.
En ten slotte is er het feit dat elk kapittel in het boek wordt afgerond met een bloemlezing, dus een verzameling van 'teksten' (weliswaar van diverse aard).

Ik mis eigenlijk gewoon een iets explicietere behandeling van dat probleem van het bronnenmateriaal in de inleiding, waar slechts even gesproken wordt over 'comparatief' onderzoek en 'loopbruggen die een expeditie naar het verleden mogelijk en zinvol maken'. Maar welke zijn die loopbruggen dan wel? De verwijzingen naar b.v. folklore en comparatief antropologisch onderzoek vind je weliswaar, na enig speurwerk, terug in de noten en van daaruit ook in de bibliografie.

Ook een iets uitvoeriger en explicietere vergelijking met iconografisch materiaal was mij welkom geweest: de mozaïeken, de fresco's, beelden en bas-reliëfs, en de vaasschilderingen (we weten welk belang die b.v. hadden in Dovers' onderzoek naar homoseksualiteit in het oude Griekenland - hoewel niet iedereen, blijkbaar, overtuigd was door de interpretatie ervan [5]).

Ik stel mij daarbij ook de vraag welke die 'geschreven' of 'literaire' bronnen wel kunnen zijn, en vooral: hoe je met elk van die genres moet omspringen. Ik denk – weliswaar vanuit onze hedendaagse genre-classificatie! – aan 'literatuur' (de 'bonae litterae') stricto sensu (Iyriek en epiek, misschien ook dramatiek), en verder aan epistolaire 'literatuur', recht, geschiedenis, en filosofie of moraliserende tractaten. Welke impact hadden deze verschillende genres in de oudheid, en op welk publiek? Wat was hun (ook: geïntendeerde) 'betekenis'? Wat is het verband tussen de feitelijke, dagelijkse 'historische waarheid/werkelijkheid' en het contemporaine discours over die 'waarheid/werkelijkheid', en verschilt dat verband misschien van genre tot genre? Uit bepaalde analysen in het boek zelf blijkt hoe omzichtig we moeten omspringen met b.v. poëzie (die, ondanks de schijn van het tegendeel, soms op een heel subtiele wijze sekserollen blijkt te bevestigen) of met epistolaire literatuur (die blijkbaar bewust gehanteerd werd – en wellicht nog steeds wordt – als methode voor een bepaald imagobeheer).

Ook het 'comparatief antropologisch onderzoek' mocht, naar mijn bescheiden mening althans, iets explicieter en uitvoeriger uitgewerkt zijn. Ik signaleer gewoon terloops dat meer dan eens n.a.v. bepaalde elementen in dit boek bij mij herinneringen opdoken aan persoonlijke ervaringen van of kennis over bepaalde (hedendaagse!) gewoonten en gebruiken, b.v. in Turkije en andere mediterrane of islamitische landen (en zelfs daarbuiten).

Een laatste interessante topic lijkt mij het morele aspect van het hele zaakje en het aandeel van de historicus daarin. Zeer terecht stelt Laes: "Het vellen van morele oordelen is niet de taak van de geschiedkundige" (p. 49) en even terecht bepleit hij de noodzakelijkheid van wat hij noemt een "behoedzaam gnosticisme" (p. 27). Maar zijn "comparatio claudicat", zijn voorbeelden (p. 27) zijn m.i. slecht gekozen.
De historicus die moet spreken over wreedheid of pedofilie in de oudheid zit nu eenmaal in een comfortabele positie: hij kan van op een geruststellende afstand constateren. De toerist daarentegen die in het Bangkok van vandaag geconfronteerd wordt met kinderprostitutie, of de antropolooog die vandaag een kannibalistische stam ontdekt in de oerwouden van Brazilië, zit wel degelijk met een probleem: hij moet kiezen tussen 'constateren' of 'bekeren' (want daar komt het uiteindelijk altijd op neer – what's in a name?). Wat moet hij doen? Ik kom daar niet uit, uit dat dilemma. Lees Finkielkraut er maar eens op na...

Maar goed, laten we afronden. AR is, ik herhaal het, een schitterend boek dat tot 'verplichte lectuur' gemaakt zou moeten worden voor al wie zich bezig houdt met de Romeinse oudheid, ook en vooral in het secundair onderwijs.



Lucius Antverpiensis




[1] Deze recensie verscheen oorspronkelijk in Schakel. Jaarboek van het Sint-Michielscollege te Brasschaat, jrg. 55, 2003, pp. 132-134.

[2] Eyben, Emiel, Christian Laes & Toon Van Houdt, Amor-Roma. Liefde en erotiek in Rome. Leuven,Davidsfonds 2003, 279 p.

[3] Chr. Laes promoveerde ondertussen aan de KULeuven tot doctor in de Klassieke filologie, en wel op 6 oktober 2004 met zijn proefschrift Outsiders met toekomst: kinderen in de Romeinse Oudheid (ca. 200 v.Chr.-400 n.Chr.).

[4] 'Desperately different? Delicia children in the Roman household'. In: Balch & Osiek, Early Christian families in context, Cambridge 2003.

[5] Zie b.v. de bespreking van Dovers boek door Arnoud Wils, 'De geschiedenis als legitimatie', in Diogenes Letterkundig Tijdschrift, jrg. 7, feb.-maart 1991, nr. 4, pp. 58-63.
Lucius Antverpiensis
 

Postby Gnaeus Dionysius Draco on Fri Mar 25, 2005 12:01 pm

Salve Luci,

Bedankt voor de moeite! ;)

Vale,
Draco
Gn. Dionysius Draco Invictus
User avatar
Gnaeus Dionysius Draco
Curialis
Curialis
 
Posts: 1618
Joined: Fri Aug 30, 2002 8:04 pm
Location: Belgica


Return to Collegium Artium et Litterarum

Who is online

Users browsing this forum: No registered users and 1 guest

cron