Arminius
by: Gn. Dionysius Draco Invictus
De feiten

We schrijven het jaar 9 na Christus. Kaderend in de veroverings- en bestendigingspolitiek van de eerste Romeinse keizer, Augustus, werd enkele jaren tervoren het noorden van het huidige Duitsland en Nederland geannexeerd. Het plan was om er eenzelfde kolonisatie-, pacificatie- en romaniseringsstrategie toe te passen zoals eerder was gebeurd in Gallia onder Augustus' voorganger Iulius Caesar. Het ultieme doel was de grenzen van het Romeinse Rijk verleggen tot aan de Elbe in plaats van de Rijn.

De man die na de veroveringen in Germania als gouverneur werd aangesteld was ene Publius Quinctilius Varus, die eerder al als gouverneur in Syrië had gediend en daar een slechte reputatie had aan overgehouden als een inhalig, inefficiënt administrator. Hij was in 13 voor Christus consul geweest in Rome. Augustus maakt hier blijkbaar twee vergissingen; ten eerste was Varus incompetent en ten tweede was Germania verre van rustig. Waarom nu precies Varus als gouverneur aangesteld werd is vooralsnog een raadsel. De Romeinse geschiedsschrijver Paterculus vertelt over Varus' periode in Syrië:

"[…] Syrië, van dewelke provincie hij gouverneur geweest was, leverde het bewijs. Hij was arm toen hij in de rijke provincie ging, hij werd rijk, en verliet haar als een arme provincie."

Hij trachtte de nieuwe provincie uit te persen. De Romeinse historicus Cassius Dio vertelt.

"Hij beval de Germanen niet alleen alsof het slaven van de Romeinen waren, hij eiste ook geld van hen alsof ze een onderworpen natie waren. Dit waren eisen die de Germanen niet duldden."

Misschien zou de opstand van de Germanen beperkt gebleven zijn tot lokale, ongecoördineerde opstanden als Arminius er niet was geweest. Arminius behoorde oorspronkelijk tot de stam van de Cherusken, rond het huidige Hannover, en had samen met zijn broer Flavius voor de Romeinen gevochten als huurlingen. De Romeinen gebruikten wel vaker Grieken, Galliërs of Germanen in hun militaire exploten maar uitzonderlijk was dat beide broers het Romeinse burgerschap hadden verkregen. Arminius klom zelfs op tot eques (ridder). Meer dan waarschijnlijk deed hij in het Romeinse leger niet alleen tactische ervaring op maar verkreeg hij ook belangrijke inzichten in de Romeinse politiek. In 7 na Christus keerde hij terug naar huis en vond daar zijn volk onderdrukt door Varus.

Arminius zette een val op voor Varus; door een afleidingsaanval lokte hij hem uit zijn versterkingen het Teutoburger Woud in met drie legioenen en hun hele gevolg (wat meer dan 15 000 mensen betekende). Aan de kant van de Germanen waren er zeker drie stammen bekend bij naam maar mogelijk waren er nog aanwezig bij de uiteindelijke strijd. Varus liet zich steeds dieper en dieper het woud inlokken, onderweg naar een fort bij de Lippe. Uit tactisch oogpunt was dit een blunder, maar niemand weet natuurlijk welke andere omstandigheden er toen heersten behalve het beruchte slechte weer dat de Romeinen in die streken zo hekelden.

In ieder geval, de Germanen sloegen de eerste keer toe midden in het woud, naar verluidt tijdens een onweer. Na vier dagen hit-and-run-aanvallen die de Romeinse troepen uitputten en hun moraal drastisch deden zakken, kwam een grote slag waarbij Varus zelfmoord pleegde en de panikerende legioenen afgeslacht werden. Men zegt dat de doden achtergelaten werden. De Germanen namen ook twee legerstandaarden mee, die slechts dertig jaar later door keizer Tiberius zouden teruggenomen worden (andere belangrijke militaire symbolen werden zelfs pas twee eeuwen later door keizer Aurelianus gerecupereerd). Varus' hoofd werd door Arminius naar de neutrale stam van de Markomannen opgestuurd, wier leider het aan de Romeinen terugbezorgde.

Na deze gebeurtenis probeerde geen enkele keizer meer deze gebieden te veroveren. De rijksgrens uitbreiden voorbij de Rijn bleef een vage droom voor sommigen (zoals bijvoorbeeld Marcus Aurelius) maar de meesten hielden zich vanaf toen beperkt tot defensieve oorlogen tegen de Germanen. Hoewel Augustus het Rijk aanzienlijk had uitgebreid wierp deze ramp een schaduw over zijn politiek, die mee zijn latere reputatie bepaalde als niet-veroverend keizer. Met Arminius zelf liep het overigens ook niet te best af. Nadat hij ook gevochten had tegen interne tegenstanders, waar niet in het minst zijn eigen schoonvader bij hoorde als tegen zijn broer, die trouw was gebleven aan Rome, zou hij na een list door zijn eigen stamgenoten aangevallen en vermoord zijn, mogelijk omdat men vond dat zijn macht binnen de latere Duitse ruimte te groot geworden was en dat er geruchten gingen dat hij naar een koningstitel dong over een pan-Germaans rijk.

Receptie in de Middeleeuwen en de Renaissance

Hoewel Arminius pas terug echt bekend werd in de Renaissance door het werk van de humanisten die de geschriften van Tacitus hadden herontdekt in de 16de eeuw, was hij toch al vroeger bekend. Men had reeds afschriften van Velleius Paterculus' en Strabo's militaire geschiedenissen, fragmenten van het werk van Cassius Dio en ook het kleurrijke biografische werk van Suetonius over de eerste keizers van Rome. Over Arminius als tegenstander van Varus echter was er echter voor de herontdekking van Tacitus' Germania en Annales weinig meer bekend dan enkele schaarse feiten.

In de Middeleeuwen lag het opvoeren van Arminius als volksheld bovendien nogal moeilijk, hoewel het op het eerste zicht voor de hand lijkt te liggen: een groot Duits rijk kon zich moeilijk een beter icoon indenken dan een succesvol, heldhaftig vereniger van stammen. Toch gebeurde dit niet, voornamelijk door de translatio imperii of de overgang van de keizerlijke macht van de Romeinse keizers naar de Karolingische vorsten en hun opvolgers. Gezien de Duitse keizers graag wilden (laten) geloven dat er een zekere continuïteit was tussen het Romeinse Rijk en het Heilig Roomse Rijk, paste het opvoeren van een rebel tegen de Romeinen niet bepaald in die strategie.

Deze situatie was echter anders in de Renaissance. Niet alleen was de "Romeinse" profileringsdrang – en ook de macht – van de Duitse keizer afgenomen, er was in antwoord op het Italiaanse humanisme ook een Duits humanisme gekomen dat van meet af aan in de clinch ging met dat van hun Italiaanse collega's. De Italianen keken namelijk met enig misprijzen neer op de Duitsers – de Germanen dus – als erfgenamen van een barbaars volk, dat verantwoordelijk was voor de vernietiging van de door hen bewonderde Romeinse beschaving. De macht en de invloed van de Kerk voedde die superieure visie. De Duitsers hadden een machtig wapen in handen gekregen toen zij voor het eerst afschriften te zien kregen van Tacitus' Germania, waarin hij zich lovend uitlaat over de Germanen en hen afschildert als beschaafde, eenvoudige lieden (vgl. Rousseaus principe van de bon sauvage).

Naast dit nieuwe, nationalistische element in het Duitse intellectuele bewustzijn voegden de Annales ook veel meer feiten en details toe aan de Arminiusmythe. Door Tacitus, met zijn gewoonlijke gevoel voor drama en psychologie, werd Arminius opgevoerd als tragische held. De Duitse humanist Ulrich von Hutten, die in 1515 Tacitus' werk bestudeerd had in Italië, schrijft in de trant van Loukianos' satirische dodengesprekken uit de 3de eeuw na Christus een dodengesprek met Hannibal, Scipio, Alexander de Grote en Minos van Kreta, die in het geschil optreedt als rechter. Alexander, Scipio en Hannibal kibbelen over wie de beste veldheer is maar dan wordt Arminius opgevoerd. Als verantwoording wat een Germaan komt doen in een klassiek verhaal laat Minos ook Tacitus eraan te pas komen, die zijn verhaal woordelijk herhaalt. Er wordt een vergelijking gemaakt met helden uit de antieke oudheid.

Volgens Arminius zelf heeft hij net als Alexander op jeugdige leeftijd het oorlogspad bereden en was hij net als Scipio in zijn tijd de enige persoon die in staat was zijn "vaderland" te verdedigen en in ere te herstellen. Minos, die met deze feiten instemt, krijgt protest te horen van de drie andere veldheren, die hem wijzen op zijn verraad jegens de Romeinen en de smadelijke omstandigheden in dewelke hij gestorven is. Arminius reageert daarop door te zeggen dat hij nooit iemand gediend heeft en steeds bedacht was op vrijheid. Hij beweert ook nooit naar een koningstitel gedongen te hebben en dat het eerder de nijd en de vijandschap van zijn tegenstanders was die hem de das omdeed dan zijn eigen – uiteraard vermeende – machtshonger.

Op die manier veroverde Arminius een vooraanstaande plek in de Duitse geschiedenis, al moest dat dan via een omweg met een Carthager, een Romein en een Griek gebeuren. Toch vonden deze sterk anti-Romeins-gekleurde geschriften niet overal ingang. De band met Rome was daarvoor nog te sterk. Zelfs Luther, die infeite zelf tegen de katholieke Kerk in Rome vocht, neemt er in al zijn sympathie die hij voor hem koestert toch een bepaalde afstand van. Rond die periode duikt zowel in de geschriften van Luther als die van de humanist Johannes Aventinus in zijn Beierse Kroniek voor de eerste keren de aanduiding "Hermann" op om Arminius aan te duiden met een Duitse naam. Of dit een correctie etymologie is weet niemand maar al vlug geraakte de naam ingeburgerd.

Andere voorstellingen uit die periode beelden Arminius af als een jeugdige held, een soort David die ten velde trekt tegen Goliath. Werner M. Doyé noemt deze voorstellingen, ondanks hun eigen tegenstrijdige karakter binnen het kader van het humanisme en het Heilig Roomse Rijk der Duitse Natie, "sacraliseringspogingen", het verheffen van Arminius tot een soort heilige held van het vaderland.

Arminius de Habsburger

Oppervlakkig en op het eerste zicht verandert er in de zeventiende en achttiende eeuw weinig aan het "Arminiusbild" dat de Duitse humanisten ons overgeleverd hebben. Vermeldenswaard is hier het wel bijzonder lijvige, postuum door de theoloog Christian Wagner voltooide werk van de in Breslau wonende Daniel Casper von Lohenstein, dat als titel Großmüthiger Feldherr Arminius oder Hermann, als ein tapfferer Beschirmer der deutschen Freyheit, nebst seiner duchlauchtisgten Thusznelda in einer sinnreichen Staats-, Liebes- und Heldengeschichte dem Vaterlande zu Liebe, dem deutschen Adel aber zu Ehren und rühmliche Nachfolge droeg en in totaal over meer dan drieduizend bladzijden uitgesmeerd was. Alle elementen in de titel wijzen nog steeds op het klassieke beeld van Arminius: een heldhaftig vrijheidsstrijder en een moedig veldheer.

Toch kan men volgens Doyé zien dat tussen 1550 en 1650 Arminius zeer vaak haast uitsluitend nog opgevoerd wordt als voorbeeld van de deugd. De historische veldslag in het Teutoburger Wald speelt in deze voorstellingen nauwelijks nog een rol van betekenis. Men heeft het in verscheidene verhalen over vrede en deugd maar van de historische feiten zelf is geen sprake meer. Mogelijk sproot de vredeswens achter de voorstelling van Arminius en zijn verhaal voort uit de Dertigjarige Oorlog die toen in de verdeelde Duitse ruimte woedde.

Het is de eerder vermelde Lohenstein die Rome terug in the picture brengt. Hij plaatst Rome echter niet meer als macht ten zuiden van de Rijn, maar ten westen van de Rijn. Dit is een duidelijke allusie op het absolutistische Frankrijk van Zonnekoning Lodewijk de Veertiende en zijn nazaten, die Frankrijk uitgebreid hadden tot over de oude grenzen en waarop Duitse nationalisten opriepen tot een oorlog tegen de Fransen. Behalve het kortstondige verzet van keizer Leopold I van 1674 tot 1678 is daar nooit veel van in huis gekomen. Desondanks roept Lohenstein het Duitse volk op zich nooit met de vijand te verbinden, al was het maar opdat het roemruchte verleden met Arminius geen schandvlek zou gaan vormen door de tegenstelling met de huidige zwakte van het Duitse volk.

Lohensteins breed uitgemeten epos behandelt echter slechts in het eerste boek de eigenlijke veldslag. De rest gaat hoofdzakelijk over de liefdesgeschiedenis tussen hem en zijn vrouw Thusnelda en zijn boosaardige schoonvader Segistus. Er wordt ook veel aandacht besteed aan de interne twisten en oorlogen tussen de Germanen. Dat Lohenstein niet zomaar een verhaal of een epos wil schrijven wordt verduidelijkt door de vele referenties naar de toestand in zijn Duitsland. Niet alleen is er de reeds eerder vermelde allusie op Frankrijk, er is ook sprake van "twaalf veldheren" van de Germanen, een verwijzing naar de Habsburgse vorsten. In een aanhangsel bij zijn lijvige verhaal wordt trouwens expliciet een Habsburgse naam geplakt op elk van de twaalf Germaanse vorsten. Impliciet verheft die keizer Leopold tot de positie van nieuwe Arminius.

Aan enkele merkwaardige feiten wordt echter voorbijgegaan. Zo is er geen echt bevredigende uitleg voor de translatio imperii: hoe keizer Leopold tegelijk een verpersoonlijking kan zijn van Arminius en de Romeinse keizer. Een ander belangrijk punt is het feit dat de Arminius-mythe meestal gebruikt werd door protestantse humanisten, dat terwijl keizer Leopold en de Habsburgers katholiek waren en de contrareformatie steunden. Mogelijk kadert dit in de "verzoeningsstrategie" en de voortdurende oproep tot eenheid die Lohenstein lanceert in zijn verhaal. Enig navelgevoel is de man dan ook niet vreemd: in zijn werk wordt er een halve wereldgeschiedenis bij ingebouwd, waarbij geen enkele gelegenheid onbenut wordt gelaten de belangrijkheid van de Duitsers en de rol van het Duitse volk op te hemelen.

Arminius en de Romantiek

In 1806 houdt het Heilig Roomse Rijk der Duitse Natie formeel op te bestaan. Heinrich von Kleist, bekend romanticus, wordt zwaar aangegrepen door deze gebeurtenis en meent er een nieuwe Romeinse overheersing in te zien waarbij het Duitse volk door de veroveringszuchtige en plunderende Fransen onderdrukt wordt. Het drama dat hij naar aanleiding van deze gebeurtenis schreef werd net als bij Lohenstein een dikke eeuw eerder postuum gepubliceerd.

De ironie wil dat het eigenlijk eerst de Fransen waren die Arminius hadden ontdekt als stof voor drama. De Scudéry schreef reeds in 1644 de tragikomedie Arminius ou les frères ennemis en de Campistron schreef een tragedie met de eenvoudige titel Arminius, die hoofdzakelijk de liefdesgeschiedenis tussen Arminius en Thusnelda behandelde. Overigens had de eerder vermelde Lohenstein zijn epos ook niet from scratch geschreven. Qua structuur en opvatting vertoonde zijn werk vrij veel gelijkenissen met Cléopatre van – opnieuw een Fransman – La Calpedrène.

Eerdere dramatiseringen van het werk voor Kleists versie in de Duitse ruimte vinden we bij Schlegels Hermann (1740/41), Mösers dramatische kritiek op de Vielstaaterei (1749) en het in drie delen geschreven drama van Klopstock (1769, 1784, 1787). De drie verschillen aanzienlijk in ideeën die zij tot uitdrukking brengen in hun respectievelijke werken. Enerzijds is er de politiek geïnspireerde Möser en anderzijds de eerder romantisch gerichte Schlegel en Klopstock. De laatste gaat zelfs zo ver te beweren dat Arminius’ heldendaden verantwoordelijk zijn voor het voortbestaan van de Duitse taal en cultuur.

Kleists bewerking van de hele materie is een aanklacht tegen Frankrijk. Het is de eerste keer dat Arminius overduidelijk een mondstuk van de schrijver geworden is. De eigenlijke geschiedenis is slechts een schaamlap geworden voor Kleists anti-Franse (en dus sterk Duits-nationalistische) uitlatingene en in die zin misschien een radicale doorvoering van de ideëen waar Lohensteins werk eerder al mee doorspekt was. Bij Kleist krijgen de Suevi, onder leiding van Marobodus, een grotere rol toebedeeld en gaan zij zelfs met de eer lopen Varus te hebben verslagen. De Suevi staan namelijk symbool voor Oostenrijk, die in 1809 ten velde trokken tegen de Fransen. In eerdere bewerkingen hadden Marobodus en de zijnen steeds gestaan voor de onenigheid en de innerlijke twist. De andere Germaanse koningen krijgen in het stuk de rollen mee van de leiders van de Napoleontische Rijnbond.

De hele strijd schijnt in Kleists stuk vooral ook te draaien om de tegenstelling tussen de gecorrumpeerde, verderfelijke Fransen en de natuur- en moraalmensen die de Germanen heten te zijn. Uiteindelijk wijst Marobodus na zijn overwinning de hem aangeboden kroon af en geeft die door aan Arminius (die hier Pruisen symboliseert).

Arminius als goede burger

Reeds in 1819, nog doordrongen van de post-Napoleontische geest, zet de architectuurstudent Ernst von Bandel de eerste schetsen op papier om een monument op de richten voor Arminius. Het duurt echter nog twintig jaar eer in de stad Detmold een vereniging op poten gezet wordt, die zich als doel het inzamelen van fondsen stelt om zulk een werk te kunnen financieren. De vereniging heeft weliswaar verscheidene vertakkingen doorheen Duitsland maar blijft vooral een lokaal initiatief. Dit uit zich onder andere in de kritiek dat het Teutoburger Wald, dat vroeger Osning heette en naar aanleiding van Melanchthons commentaar in 1559 op Tacitus' beschrijving van het woud in 1669 door bischop Ferdinand von Fürstenberg uit Paderborn die naam opgeplakt kreeg, niet de juiste plaats zou zijn waar de zogenaamde clades Variana zich voor had gedaan.

Dat in het midden gelaten werd de eerste steen van het monument gelegd in 1841, drie jaar na de laatste grote toneelbewerking van Arminius door Christian-Dietrich Grabbe. Hoewel de festiviteiten waarmee de eerste steen gelegd werd aangekondigd werden als een Duitse, bleef het toch vooral een regionale bedoening. De verenigingen die de gelden inzamelden waren trouwens een vrij kort leven beschoren en vielen gemiddeld na zo'n vijf jaren uiteen, tenonder gegaan aan interne twisten.

Dat betekent echter niet dat Arminius aan "reputatie" had ingeboet. Hij was nog steeds een populair slachtoffer onder kunstenaars, wetenschappers en artiesten van allerlei slag. Er bestond onder meer een strekking in de embryonale germanistiek die trachtte te bewijzen dat Arminius en Siegfried uit het Nibelungenlied één en dezelfde persoon waren. Doyé merkt droog op dat het artistieke niveau van de producties over Arminius vaak "bescheiden" was. Heine, bekend romanticus, merkt op dat het moerassige woud waar de slag zou plaatsgevonden hebben een mooie metafoor is voor de kwaliteit van wat zijn tijdgenoten over hun Hermann produceerden ("waterige verzen") en raadt een vriend aan om de Romeinen in de traditie van de Arminiuswerken nietszeggende onzin te laten uitkramen.

Arminius verburgerlijkt ook zienderogen tegen een achtergrond van lokale Duitse vorsten die omgekeerd evenredig steeds meer inboeten aan macht en prestige (zogenaamde anti-Arminiussen). De burgerlijke deugden komen in bewerkingen van midden de negentiende eeuw sterk naar voren, waar opnieuw vooral de liefdesgeschiedenis tussen Arminius en Thusnelda uitgebuit wordt. Zelfopoffering en trouw tegenover elkaar (en Duitsland) worden hoog in het vaandel gedragen. Hiermee wordt aan de sacraliseringstendens een nieuwe impuls gegeven: Arminius verpersoonlijkt het ideaal van het streven naar Duitsland als burgerlijke eenheidsstaat.

Als het keizerrijk onder leiding van de Pruisen langzamerhand tot stand komt, wordt de bouw van het monument voor Arminius, dat sinds 1843 in verval geraakt was, weer aangevat. Al enkele jaren eerder, in 1862, beginnen nieuwe Hermannsvereine weer geld in te zamelen. Tevens wordt de brave borst herontdekt door keizer Wilhelm als propaganda-instrument. Het viel te verwachten dat Wilhelm zich laat voorstellen als geestelijke opvolger van Arminius, strijdend voor de Duitse eenheid en de daarmee verbonden Pruisisch-protestantse idealen (die in tegenstelling stonden tot het katholieke Rome). De Arminiusmythe wordt het centrale spilstuk waarrond de staatsmythe zich concentreert. Aldoende bereikt de mythe zo haar hoogtepunt.

Arminius in een lange schaduw

Na 1875 al begint Arminius' uitstraling aan invloed in te boeten. Daar waar hij oorspronkelijk nog de ereplaats mocht delen met de keizer, geraakt hij steeds meer verdrongen door diezelfde keizer en wordt hij in de schoolboeken herleid tot de centrale figuur in een historische gebeurtenis. Hij wordt echter nog steeds vaak aangewend bij artistieke producties maar steeds meer wordt hij geclaimd door rassentheoretici van allerlei slag, die zijn belang vooral leggen in het feit dat het Duitse volk dankzij zijn heldendaden tegen de Romeinen "onvermengd" bleef.

Na de Eerste Wereldoorlog keert Arminius kortstondig terug in de ideeën van het in Duitsland sterk aanwezige revanchisme voor de vernedering van Versailles (ook wel das Diktat genoemd). In 1925 wordt te Detmold het laatste grote massa-evenement van de Arminiuscultus gehouden, een Arminiuswedkamp. Hij bleek echter nog maar moeilijk los te koppelen van de in de Weimar Republiek in opkomst zijnde nazi's en hun racistische doctrines (de beruchte Blut-und-Boden-ideologie). Nochtans was hij niet zo prominent aanwezig in de nazi-propagandamolen als men zou kunnen aannemen. Niet alleen zou een te sterk hameren op Arminius de Duits-Italiaanse betrekkingen kunnen schaden (een bezoek aan het monument werd in 1936 wijselijk uit het Italiaanse staatsbezoek geschrapt), net als bij het keizerrijk was de mythe van de huidige heerser veel belangrijker.

Na de Tweede Wereldoorlog neemt men steeds meer afstand van de door de nazi's bezoedelde Arminiusmythe, die gretig geclaimd wordt door allerhande neonazistische splintergroeperingen. In de communistische DDR krijgt Arminius nog iets meer aandacht, met name in het sociaal realisme en de aldaar aanwezige geschiedsschrijving, die op het belang wijst van de eigen sociaal-economische ontwikkeling die de Duitse ruimte kon doormaken dankzij Arminius' overwinning. In het westen echter wordt hij steeds meer gereduceerd tot een landelijk fenomeen, een bezienswaardigheid. In een fictief interview met de ontwerper van het monument, Ernst von Bandel, beklaagt die er zich over dan "zijn" Arminius herleid is tot een attractie voor toeristen, en aldus zijn doel voorbij is geschoten.

Na een korstondige opflakkering als eenheidssymbool bij de Wiedervereinigung in 1990 lijkt Arminius' rol definitief uitgespeeld. Bij de herdenking van de slag in het Teutoburger Wald in 2009 wordt alleszins weinig spektakel verwacht. Arminius lijkt, na gestreden te hebben tegen de Romeinen, Italiaanse humanisten, Franse absolutisten, de katholieke Kerk, Napoleon en voor de deugd, het protestantisme, Pruisen, de burgerlijke moraal en het nationaalsocialisme, moegestreden. Zeker in het vernigde Europa maakt Arminius weinig kans om als bijvoorbeeld Karel De Grote van nationale tot Europese held verheven te worden en lijkt hij hetzelfde lot beschoren van Boudicca, Vercingetorix en Ambiorix.
HOME | FORVM | COLLEGIA | CHAT | MEMBERS | REGVLAE | CONTACT
© 2001-2017 Societas Via Romana